Zelfportretten Lique Schoot
Uit de BBK krant van augustus 2007, door Ans van Berkum, kunsthistoricus:
Het enige dat je over zelfportretten in het algemeen kunt zeggen is dat ze werkelijkheid verfraaien, zei de bekende kunsthistoricus Henk van Os ooit. Dat schiet me te binnen als ik naar het werk van Lique Schoot kijk. Haar thema is haar eigen gezicht, dat ze vanuit foto’s schilderkunstig bewerkt. We zien steeds een diep in zichzelf verzonken vrouw, mysterieus, lokkend. Ze kijkt in de verte, of naar de toeschouwer, dat is soms niet uit te maken. Haar blik is zowel leeg als vol. Haar innerlijke voorstellingen lijken haar van binnen uit te vullen, terwijl de buitenwereld haar onverschillig laat. Haar haar golft, haar huid glanst roomwit. Het kussen achter haar hoofd is bloedrood. De erotische associatie is onvermijdelijk. Maar ook die met het heilige, met volmaakte onschuld. Met pure vrouwelijkheid, die niets met wie dan ook van doen kan hebben, al het aardse gerommel en gestreef overstijgt.
Allemaal hineininterpretieren, ik weet het. Maar dat zal iedereen doen die naar deze schilderijen kijkt, bewust of onbewust. De poses zijn hoe je het ook wendt of keert, niet neutraal te noemen. De afgebeelde vrouw wordt een idool, een droombeeld. Elk schilderij lijkt met behulp van het programma photoshop geredigeerd. We zien beelden die beloven en nog eens beloven, tot gekmakens toe, en je dan doen leeglopen als een vermoeide aanbidder die zich afvraagt waarmee hij nou eigenlijk bezig is.
Wat Lique Schoot in haar schilderijen met zichzelf doet, zal ze nooit op de levende materie toepassen. Haar enige kunstmatige verfraaiing is haar oogmake-up. Met een eyeliner tekent ze elke dag haar oogleden langs de wimpers bij en trekt de lijntjes in de buitenhoeken door. Haar ogen worden twee vissen die naar elkaar toe zwemmen. Dat doet ze als sinds haar zestiende. Verder is ze uiterst sober. Haar kleding is zwart. Een kantje langs een truitje, wat klipjes in het opgestoken haar. Is dat effectbejag? Is dat flirten? Absoluut niets van dat alles. Staande naast de maakster van de schilderijen voel ik me als toeschouwer aan haar gelijk. We kijken beiden naar een verschijnsel dat ginds is ontstaan. Helemaal ginds, waar niemand het in zijn hoofd hoeft te halen de regie te kunnen voeren. Door zo dicht op de huid van de werkelijkheid een schilderij te maken wordt helder dat we via de kunst een andere wereld binnenstappen, waar wetten heersen die niemand kent.
Voor Maagdenburg maakte zij zelfportretten van elke dag van haar verblijf, en sloot die af met een gedicht van de Zuid-Afrikaanse Ingrid Jonker: ‘Ik wil gewoon met mijn eenzaamheid reizen, en geloven dat ik nog uniek ben’. Het is alsof Schoot daarmee zegt: En dus keer op keer mijn beeld achterlaten, als een soort object trouvé, toevallig aangetroffen op een straathoek, denkend, ‘Wat is dit?’